 |
we
zijn weer zestien
Arm
in arm zwieren Aki en ik over straat. Het ruikt naar stadsregen, lantaarns weerspiegelen
hun licht in de plassen. Een nacht om lang wakker te blijven, hartsgeheimen te
delen, om een polaroidfoto te laten maken waar we maar half opstaan en te lachen
tot we buikpijn hebben.
Aki en ik zijn in dezelfde straat geboren, buurmeisjes vanaf onze eerste dag.
We hebben samen tanden gewisseld, de hoge duikplank getrotseerd, stonden vooraan
in de rij met gym (want allebei klein). We gingen samen naar de 'grote school',
bekenden elkaar de eerste beugelzoen en plengden gedeelde tranen als het uit was.
In een vorig leven moet het
zo gegaan zijn.
In dit leven kwamen we elkaar pas acht jaar geleden tegen, maar wat kenden we
elkaar vanaf de eerste dag al lang. Nu zwieren we aangeschoten door middernachterlijk
Amsterdam. "Sis en Ak forever," roept Aki blij onze strijdkreet, terwijl
we de rij wachtende taxi's passeren bij het Leidse Plein.
Ter hoogte van de Stadsschouwburg vraagt ze: "Zullen we naar dat ene café?"
Onderliggende boodschap: naar de plek waar ze een erg leuke jongen tegen is
gekomen met wie ze erg fijn heeft gezoend. En dus hangen we even later nonchalant
op een barkruk, terwijl Ak de deur in de gaten houdt op opvallend onopvallende
wijze. Waar blijft hij?! Zestien zijn we samen in dit leven nooit geweest, maar
vanavond wel. Vanavond delen we weer ouderwets de vlinders, de kriebels en de
zenuwen.
Om 3.12 uur sist Aki: "Daar heb je hem." We strooien met slappe zinnen
om de indruk te wekken dat we diep in gesprek zijn. Hij komt naderbij, seint
Ak. Kijk mij aan, waarschuw ik op mijn buurt als haar blik naar hem dreigt af
te dwalen. Om 3.15 uur heeft ze haar conclusie getrokken: hij ziet me niet staan
- maar hij heeft me wel gezien - hij vindt me dus niet leuk - het is over en
uit tussen ons - hij bekijkt het ook maar - wat een lul. Maar 3.18 uur lokale
tijd meldt de erg leuke jongen zich aan haar barkruk. Via de spiegel achter
ons doe ik mijn vriendinnenwerk: de observatie van zijn lichaamstaal tot in
detail (hij speelt iets te fanatiek met de ijsblokjes in z'n glas). "Maar
hoe gaat het," vraagt Ak inmiddels voor de derde keer. Hij kijkt naar beneden
en zegt uit het niets: "Leuke schoen!"
"En en en, wat denk je," vraagt Ak me om 3.21 uur, als hij naar de
wc is. "Hij vindt je geweldig, dat zag je aan alles," zeg ik vol overtuiging.
"De manier waarop hij over die schoen begon, zegt toch genoeg?" Voor
we dieper op de schoeiselmaterie in kunnen gaan, staat hij weer naast haar.
Om 3.41 uur zijn z'n ijsblokjes gesmolten en ligt z'n hand op haar arm; ik ga.
Aki beamt een ingewikkelde boodschap: sorry dat ik je alleen naar huis laat
gaan, maar ik vind hem zo leuk en wat denk je, vindt hij mij ook echt leuk?
Ik radar terug dat het allemaal in orde komt.
Buiten kijk ik omhoog naar de nachtelijke wolken. Wat is het lang geleden dat
ik zelf samen met een vriendin zenuwachtig in een café op een erg leuke
jongen stond te wachten. Kon ik mijn vlinders, kriebels en zenuwen maar weer
eindeloos delen. Totdat ik alleen met hem overbleef, waarna hij te veel dronk,
ik te veel dronk en er na lang draaien dan eindelijk gezoend werd. Met zware
benen van de melancholie fiets ik naar huis.
Om 4.14 uur schuif ik naast
een vertrouwd, slapend mannenlichaam. Ik sla mijn arm om hem heen en beloof:
morgen gaan we met z'n tweeën naar het café. Dan drinken we tot
sluitingstijd. Als de lichten aangaan, glijden we van de barkruk, wiebelen we
naar buiten. En dan wordt er gezoend.
|