 |
wachten
op een wonder
Vannacht droomde ik van
oom Harm. Hij was aan het voetballen en maakte een rare sprong in de lucht. Ik
rende naar hem toe, van dichtbij was zijn gezicht heel smal en een beetje geel.
Hij lachte, stak een worstje in zijn mond, kauwde tevreden. Toen werd ik wakker.
Met stijve spieren en een zwaar gemoed ben ik aan de dag
begonnen. Ik had al een tijd niet meer aan oom Harm gedacht. Kanker kun je krijgen
zonder aanwijsbare reden. Je hoeft er niet vreselijk voor te roken, zwaar voor
te drinken of elke dag patat te eten. Al heb je nog zo'n fijn karakter, soms
word je zomaar ziek en als je pech hebt, is er niets meer aan te doen.
Oom Harm leek net een jongetje, met z'n iele postuur, smalle hoofd en vrolijke
oogjes. Hij had een kinderlijke smaak; drank vond hij vies, van sigaretten rilde
hij. Hij hield van cola en z'n enige zonde betrof een heimelijke Big Mac. Tijdens
z'n ziekte ging iedereen alleen maar meer van hem houden. Hij was optimistisch,
strijdlustig en had geen zelfmedelijden. Werd er naar zijn smaak te lang over
z'n ziekte gepraat dan riep hij vrolijk: "Zo, genoeg gekankerd." Doodgaan?
Hij dacht er niet over. Maar dat is precies wat er gebeurde. Kleiner en smaller
dan ooit werd hij begraven, met een knuffelbeest aan z'n zijde om hem te beschermen.
Eigenlijk wisten we al een hele tijd dat hij niet beter zou worden, maar zijn
optimisme werkte aanstekelijk. Met hem wachtten we tegen beter weten in op een
wonder. Hij zou de uitzondering zijn die de artsen versteld deed staan. Mooi
niet, de dood bleek de sterkste. Zo oneerlijk: sommigen verdoen hun leven met
klagen, zuchten en tv-kijken. Ze proberen niet eens om er wat van te maken,
toch worden ze negentig zonder een zuchtje pijn. Mensen zoals oom Harm betekenen
werkelijk wat voor anderen en worden op hun veertigste gegrepen door een ziekte
zonder genade.
Ik vind het moeilijk om te aanvaarden dat het leven eindig is. Een wreed gegeven:
je weet dat je ooit sterft, maar wanneer en hoe blijft geheim. Het lijkt zo
kort geleden dat ik m'n speelgoedhond aan een zelfgemaakte lijn achter me aan
sleepte. Dat ik in een blauwe jurk met rode linten danste op de bonte avond
van de zesde klas. Dat ik met m'n eerste vriendje keek naar Romancing the stone,
in afwachting van De Kus. Nu ben ik al 32 en probeer ik de tijd in de gaten
houden - alsof die dan op me zal wachten. Soms ben ik bang dat de dood weer
voorbij komt en één van m'n dierbaren meeneemt. Dat ik zelf een
ziekte krijg en niet meer beter word.
Oom Harm is nu zeven jaar dood. In m'n vroege vakantieherinnering
- kamperen in Frankrijk - spelen m'n broertje en ik eindeloos Cluedo met hem.
Ik zie voor me hoe hij dapper de wacht houdt bij de barbecue, de enige die erin
blijft geloven dat het vlees ooit nog gaar zal worden. In het Franse avondlicht
spelen we voetbal: de kinderen tegen de volwassen. Oom Harm doet met ons mee,
maakt veel lawaai, maar schiet steeds mis.
Zo lang er aan dode mensen gedacht wordt, zijn ze er nog - dat vind ik een troostende
gedachte. Zij blijven bestaan in ons hoofd, zo ver de herinnering strekt. En
ze kunnen ons wat leren. Als elke minuut telt, heb ik vandaag heel wat bijzonders
meegemaakt. Loom ontbeten met de kat op schoot, de zon in m'n gezicht. Een lief
sms-bericht ontvangen van een vriendin. En ik heb een meisje van elf ontmoet
dat op een eenwieler door de straten rijdt. Geen geklaag meer, geen gezucht
en die tv blijft uit. Voortaan schrijf ik weer vrolijke columns, beloofd. Om
met oom Harm te spreken: genoeg gekankerd.
|