|
de rode ring
Mul had een vriendin, ze noemden elkaar zusje. Zelfverkozen familie, dat vond Mul een mooie gedachte. Mul en Zusje kwamen twee knotsen van ringen tegen, rood en hysterisch als de vriendschap zelf, die overduidelijk op hen lagen te wachten. Ze gaven elkaar de ring cadeau. Fraai gebaar, al zeiden ze het zelf.
"Hé, wat een verrassing!" riepen ze bij het uitpakken simultaan, "dat had je nou niet moeten doen!" Daarna: aan de vinger schuiven, hand omhooghouden, knots bewonderen. Om het te vieren bitterballen op witte bedjes van papier. Mul kreeg warme voeten van tevredenheid.
Toen verloor Mul de rode, hysterische steen tijdens een wandeling. Ze reconstrueerde de route, maar de steen was en bleef weg. Het omhulsel aan haar vinger zag er kaal uit. Ze stak het in haar jaszak, om er niet langer naar te hoeven kijken.
Droef belde ze Zusje, die aan de andere kant van de stad woonde, om haar van het nieuws op de hoogte te stellen. Het bleek dat ook zij de rode, hysterische steen was verloren.
Bijgeloof lag op de loer.
"Het zal toch niets betekenen," opperde Zusje angstig.
"Nee, dat zal toch niet," suste Mul angstig.
Daarna ging het bergafwaarts.
Op een donkere zomerdag hield Zusje de vriendschap als een vaas boven haar hoofd.
"Wacht, niet doen!" wilde Mul roepen, maar het was al te laat.Verlamd van schrik keek ze toe hoe haar vriendin hem in duizend stukken liet vallen. Zusje had een van woede vertrokken gezicht, in haar ogen een onbekende twinkeling. Mul krabte zich geschrokken achter de oren; het leek waarempel wel of haar compaan er een duister genoegen in schiep om het kapot te maken. Lijmende woorden werkten niet. Onherstelbaar gebroken.
Mul had altijd gedacht dat je een zus voor het leven had, al was die dan zelfverkozen. Misschien waren ze elkaar, net als familie, te dicht genaderd, wie zou het zeggen.
Nadien speelde Muls hand nog vaak met het omhulsel in haar jaszak. Bijgeloof leek bevestigd. De zusjes verloren hun ring en daarmee hun magische kracht. De betovering was verbroken.
Maar het verhaal is nog niet af.Op een schemerige winterdag rent Mul panisch door het huis. Fietssleutels kwijt. Haast. Zo'n dag waarop de dingen zich tegen je keren. Brullend van frustratie houdt Mul haar tas ondersteboven. De sleutels kletteren op tafel en ze stormt de deur uit.
Een paar uur later wikkelt Mul, inmiddels weer intevreden, spaghetti om haar vork. Ze heeft voor zichzelf de tafel gedekt, Chet Baker trompettert er op los, de avond rekt zich lui uit.
En daar ligt hij zomaar op tafel. De rode, hysterische steen.
"Nou ja," mompelt Mul.
De steen moet tijdens de bewuste wandeling in haar tas zijn gevallen, in plaats van op straat. Ze voelt in haar jaszak: ook het omhulsel is er nog.
Even vraagt ze zich af of haar voormalig zusje aan de andere kant van de stad eveneens haar rode, hysterische steen heeft gevonden.
Maar dan weet ze dat het antwoord geen verschil meer maakt.
De ring is compleet.
|

|
|