|
stadsverschijnselen
Een grote grijze vogel vliegt met gespreide vleugels door de straat. Een reiger, ziet Mul, die spontaan van haar fiets springt om naar hem te kijken. Reiger landt op een autodek. Daar zit hij dan, tussen de nieuwbouwhuizen, benauwde dozen met Franse balkonnetjes en voordeuren in primaire kleuren. Het felle geel, blauw en rood is vast bedoeld om de huizen op te fleuren, maar hun grauwe vormeloosheid wordt er juist door versterkt. Zo dienen de vreemde stadsverschijnselen zich een voor een aan. Grote grijze vogels, smoezelige gekken en fanatieke betweters, ze bevolken de stad waar ze sinds haar achttiende woont. Sommigen landen op autodaken, anderen houden zich op rond vuilnisbakken en weer anderen duiken onverwacht op. Betweters doen meestal het laatste. Op haar pad treft ze een man met een fanatieke helm op zijn hoofd. Zijn mening is al even schreeuwend van kleur als zijn fiets. Bij het volgende stoplicht slaat hij toe. Hij rijdt zijn tweewieler te dicht naast die van haar en zegt: "Mag ik u wat vragen?" Mul weet nee maar zegt ja. De hele weg terug denkt ze aan de antwoorden die ze had willen geven en de aanspreekvormen die ze had willen hanteren, waarvan 'zelfingenomen kwal' nog de mildste is. O, de talloze briljante weerwoorden die ze enkel in haar hoofd heeft uitgesproken. Ze denkt nu aan de Hatelijke Schrijfster die bijna iedereen haat en dus ook Mul. Het vreemde is dat de Hatelijke Schrijfster het grootste deel van de tijd gekrenkt door het leven gaat, terwijl ze zelf niet anders doet dan krenken. En dus had Mul zo graag eens willen zeggen: "Hatelijke Schrijfster, jij schopt almaar tegen schenen. En vervolgens ben je oprecht verbaasd als iemand 'au' roept, of je een schop terug verkoopt." Als Mul de nieuwbouwstraat inrijdt, staat Reiger midden op straat. Hevig zwabberend weet ze de vogel nog net te ontwijken. "Arrogante kwiebus!" roept ze, "wat denk je wel?" |
|
© Copyright Siska Mulder - www.siskamulder.nl |
||