|
droomdenken
Wat ik nou altijd dacht. Dat ik nog dezelfde was. Als op mijn zevende, bedoel ik.
Alles wat ik later werd, was er toen al. Dan doel ik niet op de liefde voor schrijven, of lezen, of de neiging om te observeren, of in bed na te denken, wat ook allemaal zo is gebleven, maar op de manier van denken. Droomdenken. Volwassen en wel voelde ik me niet wezenlijk anders. Ik voelde me eigenlijk nooit volwassen, misschien was dat het. Later als ik groot ben - en ik was nog steeds in bange afwachting.
Dat dacht ik dus, dat ik nog dezelfde was. Tot ik de Up tv-serie voor de tweede keer keek, waarin veertien Britse kinderen vanaf hun zevende jaar worden gevolgd. Give me the child until he is seven and I'll give you the man , zegt een gewichtige Engelsman in elke aflevering. En hij lijkt gelijk te krijgen. De veertien kinderen blijken niet wezenlijk veranderd als ze volwassen zijn.
Behalve Neil, het leukste jongetje van allemaal. Op zijn zevende glanzen zijn drop-ogen van de binnenpret en heeft hij een verreikende fantasie. Hij wil later buschauffeur worden, zodat hij de mensen naar verre plaatsen kan rijden en door een megafoon kan omroepen wat er allemaal te zien is. Coloured people vindt hij maar eng, die stelt hij zich voor als paarse wezens, met gele voeten en groene vingers.
Op zijn 21 ste is Neil gestopt met studeren, woont hij in een kraakpand en werkt hij op een bouwplaats. Op zijn 28 ste en 35 ste is hij werkloos. Zielig? Verre van. Ik weet nog dat ik - achterin de twintig - de volwassen versie van Neil bewonderde. In mijn ogen was hij te slim, te gevoelig voor deze wereld. Hij was de enige die zich niet beter voordeed dan hij was, die eerlijk antwoord durfde te geven op de grote levensvragen. Hij praatte over de tredmolen waarin de rest van de mensheid rondsjokte en ik gaf hem gelijk. Hij keek met grote helderheid naar de wereld waar hij nooit helemaal deel van zou uitmaken. Niet wílde uitmaken. Neil durfde nog te dromen en dat vond ik negentiende eeuws romantisch. Ik was niet de enige; tot zijn verbazing ontving Neil stapels brieven van bewonderaars.
Het is niet zo dat ik, halverwege de dertig, dat allemaal ineens niet meer zag. Ik vond Neil nog altijd een bijzonder persoon. Ik vond hem nog altijd intelligent. Ik leefde nog altijd met hem mee. Maar toch. Er was iets gekanteld, onherroepelijk.
Neils droomwereld zag er niet meer zo zelfverkozen uit. Eerder bij gebrek aan beter. En dat verhaal over die tredmolen irriteerde me ronduit. Lekker makkelijk en een tikje hooghartig om langs de zijlijn te oordelen over een werkend leven dat hij goedbeschouwd nauwelijks had gekend. Wel zo veilig om zijn neus op te halen voor iets waar hij heimelijk maar al te graag aan mee zou willen doen. Wat was hier aan de hand? Was ik zelf mijn dromen verloren? Was ik dan eindelijk realistisch geworden, iets wat mij vaak werd toegewenst en wat ik hartstochtelijk niet had nagestreefd. Droomdenken. Ik doe het nog wel, maar niet meer de hele dag door. Ben ik diep van binnen nog altijd dat meisje van zeven?
Toen hij 42 was, ging het beduidend beter met Neil, zo bleek uit de serie. Hij leek min of meer tevreden. Betaald kreeg hij niet, maar hij werkte wel. Routine en regelmaat hadden hem gered.
|

|