beer

Zo vaak komt het niet voor dat ik romanpersonages tegen het lijf loop. Maar tijdens een strandwandeling - bij Bergen aan Zee, ik kan je de plek zo wijzen - is het dan toch zover. Daar heb je hem, geen twijfel mogelijk. Beer.

Beer is een hond, maar ook een mens. Hoe dat precies zit, doet Helga Ruebsamen uit de doeken in het titelverhaal van de verhalenbundel Beer is terug. De vrouwelijke hoofdpersoon gaat naar het dierenasiel om een kameraad uit te zoeken, waar zij zich laat rondleiden door een beeldschoon meisje. Daar vindt zij haar waardeloze dode echtgenoot terug, gereïncarneerd als hond. Echt waar, lees maar: ‘Pijnlijk getroffen keerde ik me om en zag hoe ze haar poezelige vingertjes met nagels als oranje schelpen een voor een liet aflikken door een pikzwart ondier, dat haar verslond met zijn glanzende ogen. (...) De herkenning raakte mij als een blikeminslag.’
Beer is zijn naam. De hond heet niet alleen hetzelfde als haar overleden man (nu ja, alleen dat canaille van een moeder mocht hem zo noemen), maar gedraagt zich ook precies eender. Zijn aandacht gaat immers uit naar het meisje van het asiel –schuinsmarcheerder die hij is. Vlijmende jaloezie wekt dit op bij onze heldin en in een opwelling zegt ze: ‘Ik neem hem.’ Het meisje van het asiel kan het bijna niet geloven. Al zes jaar zit het onooglijke beest vergeefs te wachten op een baas en nu wordt hij op het nippertje gered van een wisse spuitjesdood.
Als pure chocolade lekken de zinnen van de pagina’s. Beer was tijdens zijn mensenleven een onverbeterlijke labbekak die alle vrouwen in zijn leven voor zich liet rennen. Maar nu hij als hond aan de lijn van de echtgenote loopt, is zij de baas. Ze kan het niet laten om met Beer achterin langs de G.J. de Jonghweg te rijden, het territorium van de heroïnehoertjes. Daar pikte B. zijn ‘armzalige kadavers’ op, om ze er later na gedane zaken en liefst zonder betaling weer uit de auto te donderen. Het is de weg die naar het park leidt, maar ook naar het asiel. En de echtgenote wil nog wel eens op het laatste moment snerpend afslaan, richting asiel. In haar achteruitkijkspiegel ziet ze tot haar tevredenheid de kanonskogelkop van Beer, verstard van angst.

Sindsdien bezie ik honden met andere ogen. Wandelend op het strand van Bergen aan Zee pik ik ze er zo uit. In een opgefokte boxer, met zijn kwijlende bek en wanhopig kwispelende stompstaart, herken ik de boosaardige buurman van vroeger. Hij kwam ons achterna als we één stap op zijn tuinpad zetten - wat we natuurlijk toch deden, met een siddering van angstig genot. Vroeger zou ik het zielig vinden, maar nu begrijp ik best waarom zijn bazin hem aan zo’n enge wurgketting heeft gelegd, zodat hij naar adem happend voorthijgt. In de hysterische Jack Russell die zich heeft vastgebeten in een stuk hout, zie ik meester Bruinink, mijn sadistische leraar van de lagere school, die er genoegen in schiep om kinderen aan hun haren het klaslokaal uit te slepen. Mijn haar was lang, dat trok lekker. Zijn bazin houdt het stuk hout extra hoog en laat hem bungelen tot hij er bijkans in stikt.
Wie het monsterlijke, zwartharige vuilnisbakkenbeest is dat slijmerig kwispelend op me af komt gedenderd, laat zich raden. Hij is een tikje grijs geworden aan de snoet, maar mij leidt hij niet om de tuin. Het is hem. Beer. De hónd.








 
 

 

© Copyright Siska Mulder - www.siskamulder.nl
Op de inhoud van deze site berust copyright, niets van de inhoud van deze website mag zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur of haar vertegenwoordigers worden overgenomen op wat voor manier of in welke vorm dan ook.