|
heilige koe
Jarenlang heb ik geaarzeld. Ik wilde wel naar India, maar rilde van de meute dwepende westerlingen die het land bewierookten als ware het een afgod gegoten in goud. Backpackers die op zoek gingen naar zichzelf - wat dat ook moge zijn - en hoopten op spirituele verlichting, ik heb het niet zo op ze.
Ik ben ze in andere Aziatische landen maar al te vaak tegengekomen: in lompen gehulde figuren met ongewassen rastaharen waar je een rattenkolonie in kan huisvesten die, gewapend met de eeuwige Lonely Planet en een fles water, op aftandse slippers door de straten sloffen als ware het land van hen. Ze bestuderen Aziatische sloppenbewoners van dichtbij alsof ze zich in een openluchtversie van Madame Tussauds bevinden - maar dan zonder entree te betalen.
Zwart uitgeslagen voeten met brokkelige nagels en roestende teenringen: het kan allemaal. Denken ze, want ze vatten de beleefde glimlach van de lokale bevolking ten onrechte op als een vrijbrief om lekker zichzelf te zijn. Het valt ze blijkbaar niet op dat arme Aziaten er zelf over het algemeen alles aan doen om er netjes en proper uit te zien. In Indonesië vind je sloppenbewoners die er ondanks de afwezigheid van schoon water in slagen hun ene overhemd kraakwit te houden. De rugzakkers beroepen zich er ondertussen op van één dollar per dag rond te komen en onderhandelen schaamteloos een half uur lang om vijf cent van de prijs af te krijgen, want 'dat is de cultuur'. En die mensen zijn zo gelukkig hè, terwijl ze geen cent hebben, werkelijk ongelooflijk.
Aan de andere kant staan westerlingen die zelf nog nooit in Azië geweest zijn, maar wel menen te weten hoe vreselijk het daar gesteld is. "Ik zou er niet tegen kunnen, al die armoede," verzuchten ze. Alsof derdewereldlanden enkel bestaan uit ellende. Alsof de bewoners alleen maar dat zijn: arm. Alsof iemand van hen bij zo'n superieure vorm van medelijden gebaat is. Dat voelt al even ongemakkelijk. Ingewikkeld toch.
Enfin, op een dag ging ik naar India. En ik was gegrepen. Na afloop had ik een vreemde heimwee naar dat gekmakende land waar alles wat ik ooit gedacht en gezien had op zijn kop kwam te staan. De kleuren, de geuren, de smog, de hitte, de armoede, de vriendelijkheid, de veerkracht, de...
Mijn zintuigen kregen in India een overdosis en ik kon niet anders dan me overgeven. Bombay, de stad die zo uit zijn voegen barst dat het niet lang meer goed kan gaan, bleek mijn eerste grote Indiase liefde. Ja, het was erg dat straatkinderen over het hete asfalt achter het verkeer aan renden in de hoop op wat kleingeld. Ja, de gloeiend hete golfplaten hutjes langs de landingsbaan van het vliegveld shockeerden. Ja, er gingen elke dag mensen dood in ellendige omstandigheden. Dat was allemaal waar en toch liep ik niet elke dag te huilen in India.
Ik zag zoveel Indiërs die met kleine handeltjes het hoofd boven water wisten te houden, die lief waren voor hun kinderen, die een innerlijke rust uitstraalden waar de opgefokte westerling jaloers op kon zijn. Ik ontmoette ook kosmopolitische intellectuelen die romans schreven, televisiestations runden en debatteerden over de toekomst van hun land. Zij omarmden het rijke Westen niet klakkeloos, maar mengden westerse elementen met de goede dingen van India.
Hoe ik hierbij kom? Ik ben Holy cow! aan het lezen van Sarah Macdonald. Het is alsof ik opnieuw in India ben. Over een paar maanden kan ik weer weg, maar vooralsnog reis ik in mijn hoofd. Fijn toch, wat literatuur vermag.
|

|