| herfstvlinders
Mul keek vanuit haar werkkamer naar buiten. Lucht, bakstenen en een streep gracht. Onder haar raam, voor haar onzichtbaar, roerden de vaste bewoners van het water zich. Het was of de eenden anders kwaakten, schriller en met meer urgentie. Geel licht kleurde de huizen aan de overkant.
Wat was er toch?
Al dagen leek het aan de gang.
Dan weer wilde ze Aanstaande hevig omhelzen, op zijn schoot springen en hem vastknijpen tot hij voor de vorm zou protesteren.
Dan weer wilde ze naar buiten, de verrassend koude zon tegemoet.
In een opwelling boekte ze een reis naar India. Weg! Ver! Zoete geuren en stoffige voeten.
Om daarna de kandelaar uit het keukenkastje te halen en kaarsen te branden in de schemering, niet van plan het huis ooit nog te verlaten.
Ze las een boek in de vooravond, maar kon zich niet concentreren.
Ze keek voor het slapengaan een willekeurige serie op televisie en leefde direct mee. Ze vreesde het ergste voor de hoofdpersoon, die door een gek in gijzeling werd genomen. Bijna vermoord.
Met een zwaar gemoed ging ze naar bed.
Ze droomde van eendjes aan de lijn die ze uitliet in het wilde water. Zachtjes trok ze aan hun dunne nekjes tot ze eindelijk aan de kant waren - uitgeput, half verdronken.
Toen ze wakker werd, bleef ze geheel tegen haar gewoonte in doezelen. Telkens vertelde ze zichzelf met half gesloten ogen: nog heel even.
Gedachten dwarrelden als herfstblaadjes door haar hoofd.
De schemerige warmte van het dekbed deed haar denken aan het huisje dat ze vroeger bouwde van het wasrek, met lakens erover bij wijze van dakpannen. Uren achtereen kon ze doorbrengen in haar zelfgebouwde onderkomen.
Het weekend was voorbij.
Aanstaande verdiende geld in een kantoor ver van huis.
Hij volgde het nieuws op de voet, dat was zijn werk.
Mul voelde zich bevoorrecht.
Mul zag op tegen de druk gevulde week.
Alles zou anders worden.
Alles moest hetzelfde blijven.
De kou kroop op langs haar voeten.
Het werd tijd om het elektrische kacheltje uit de schuur te halen.
Ze legde haar oor tegen het raam te luisteren.
De eenden hielden zich stil.
Wat was er toch?
Ze vroeg zich af of andere mensen 't ook hadden.
Ze wist ineens: dit is niet nieuw, dit ken ik.
Mul had last van herfstvlinders, dat was alles.
Welkom vlinders, zei ze zacht, zijn jullie daar weer?
|