schemerlicht

Ze zaten tegenover elkaar aan tafel, Mul en Aanstaande. De katernen van de krant scheidden hen. En een meter tafel.  
"Laten we een dagje weggaan. Naar Antwerpen of zo," zei Mul.
"Wat wil je daar dan doen?" Aanstaande keek met een half oog naar de achterpagina van De Volkskrant. Gummbah op de camping.
Mul plukte aan één van de kranten. "Gewoon, in een café dronken worden en verliefd elkaars hand vasthouden.
"O ja," zei Aanstaande en gelukkig niet: dat kun je in elke stad.
Het was even stil.
Laatst fietste Mul door de stad en zag door het raam van een café twee mensen hand in hand zitten. Ze bogen zover mogelijk naar elkaar toe, maar het tafeltje zat ertussen. Het was midden op de dag en ze dronken bier. Mul herinnerde zich lange uren met veel alcohol en gesprekken die er niet toe deden omdat ze toch alleen maar in de verpletterend blauwe ogen van Aanstaande aan het staren was. Als hij een aangeboren hersenafwijking had gehad, was het haar vermoedelijk niet eens opgevallen.

Aanstaande keek op. "We kunnen ook naar Gent, daar zijn we nog niet geweest. En dan blijven slapen. Ook handig in verband met eventueel overmatige alcoholconsumptie."
"Ja," zei Mul, "dat kan."
"Maar?"
"Niks maar."
(...)
"Nou ja, in Antwerpen kunnen we nog even kijken naar die ene leuke lamp bij die ene leuke winkel."
"O, dus daarom moeten we zo nodig naar Antwerpen."
Mul keek boos. "Ik dacht al dat je dat zou zeggen. Maar dat is dus helemaal niet waar."
Het was weer stil. Aanstaande begon de kranten grondig op te vouwen.
"Wat vind jij mooier?" probeerde Mul, "bordeauxrood of groen? Zelf zit ik te denken dat bordeaux wel een ouderwets kneuterige kleur is."
Ze zweeg. "Terwijl ik normaal gesproken meer van groen houd."
Aanstaande stond op. "Als jij iets wilt, moet het altijd meteen. Ik hoef helemaal geen lamp."

Mul visualiseerde het gewenste object. Zo eentje uit de oude tijd maar dan modern. Een lamp die wist wat schemeren was. Op de een of andere manier leek de lange, grauwe winter dan ineens niet erg meer. Nu stond de lamp in een donker magazijn te wachten tot hij kon gaan branden.
"Wat?" vroeg Mul, want Aanstaande had iets gezegd wat ze niet had verstaan.
"Wil je nou nog een weekend weg?"
Mul haalde haar schouders op. "Ja hoor, best."

Ergens was het waar. De lamp hoefde niet nu. Als hij nu wist wat schemeren was, wist hij dat over een paar maanden ook nog wel. Het laatste resultaat van de korte koopaanvallen die Mul in het verleden hadden bevangen, stond in de kelder. Het bankje. Ze had een visioen van een felgekleurd kantoortje toen, met die bank erin. Maar uiteindelijk werkte ze thuis en stond het bankje in de weg. Toen een paar weken na de aanschaf het afschrift kwam, verschoot ze van kleur. Zoveel? Aanstaande mompelde dat hij haar nog had gewezen op de hoge prijs.
"Wat zei ik toen dan?" informeerde Mul oprecht geïnteresseerd, maar ook een tikje angstig.
"We doen het gewoon, dát zei je," somberde Aanstaande.
Niemand had ooit op het bankje gezeten, of het moest de kat zijn, die er ook zijn nagels graag aan scherpte.

Aanstaande stapelde de kranten. "Zal ik anders toch even kijken op internet?"
Mul knikte.
"Waar willen we heen? Zeg jij het maar."
"Naar Gent," zei Mul, "daar hebben ze vast ook cafés."
Daarna legde ze de kranten bij het oud papier.

 
 

 

© Copyright Siska Mulder - www.siskamulder.nl
Op de inhoud van deze site berust copyright, niets van de inhoud van deze website mag zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur of haar vertegenwoordigers worden overgenomen op wat voor manier of in welke vorm dan ook.