|
de perfecte kras
Mul staarde naar het schilderij. Het was een kunstwerk van Fontana, die zijn doeken bewerkte met een mes. Wit geverfd, geperforeerd canvas, als onwennige winterhuid waarin gesneden was. Fraai, vond Mul.
Het schilderij hing in een museum te Madrid waar het prettig dwalen was. Het licht viel wit en helder door de dakramen naar binnen. Ze zou hier best willen wonen.
Ze keek opzij. De brillenglazen van haar vader vingen licht. Hij bestudeerde het schilderij, zijn rug een beetje gekromd en zijn bruinleren schoenen netjes tegen elkaar aan. Hij zou een beeldhouwwerk kunnen zijn. In gedachten maakte Mul een mentale foto - dat had ze van de hoofdpersoon uit het boek The Beach. Onthouden, maande ze zichzelf, onthoud dit nou.
Mul volgde de kraslijnen met haar ogen.
"Denk je dat het uit zou maken?" vroeg ze. "Een kras van een willekeurige bezoeker?" Het bleef even stil. In de verte galmden de voetstappen van onbekende bezoekers, maar voor nu hadden ze het doek voor zich alleen.
"Ik bedoel," zei ze, "zou het verschil te zien zijn tussen een kras van de kunstenaar en een kras van een leek?"
De vader van Mul produceerde een grinnik-lachje dat haar buikspieren kort deed samentrekken. Zijn lach maakte bijna altijd dat zij ook moest lachen. De laatste tijd viel het haar op dat ze eenzelfde geluid leek te produceren. Deze keer slikte ze haar lach in.
"Ik vrees," zei de vader van Mul, "dat dat geen enkel verschil maakt."
Het was weer stil. In de buik van Mul groeide verzet. Ze wilde de kale waarheid niet horen, ze wilde dat ze samen in de mooiste versie van de waarheid zouden geloven. Ze dacht graag dat ze in zoveel meer op elkaar leken dan dat rare lachje, dat zij hem nooit wat uit hoefde te leggen omdat hij hetzelfde dacht als zij. Dezelfde dingen zág. Ach, hoe kon ze ooit aan een ander duidelijk maken wat ze precies voelde, welke sensaties er door haar heen gingen in een museumzaal te Madrid? Schrijven leek bij voorbaat een hopeloze zaak.
"En toch denk ik dat het uitmaakt," zei Mul koppig. "Fontana heeft niet voor niets jaren van zijn leven gewijd aan het zetten van de perfecte kras. Kijk nou, er staat geen kras te veel en ook geen kras te weinig. Elke kras is precies goed."
Tegelijkertijd liepen ze naar het schilderij, tot ze er met hun neus bovenop stonden. Niet dezelfde neus overigens, Mul had de neus van haar moeder. Vanuit haar ooghoek zag ze dat een bewaker, die zich had geposteerd tussen twee zalen in, een paar stappen hun richting op kwam.
Ze keken nog eens goed.
"Hij heeft er weer lekker op los gekrast," zei de vader van Mul toen.
Simultaan lachten ze hun grinnik-lachje.
De bewaker kuchte en bewoog zich, zo langzaam mogelijk leek het, naar een stoel aan de rand van de zaal. Mul dacht aan een vlijmscherp stanleymes dat het doek doorkliefde met korte, krachtige rukjes.
|

|
|