![]() |
zijn je dromen uitgekomen? Marie Claire journaliste Siska Mulder denkt nog vaak terug aan de Schaapskooi, een huisje midden in het bos waar ze met vriendinnen van de middelbare school logeerde. Veertien waren ze toen ze voor het eerst hun slaapzakken uitrolden en fantaseerden over later. Siska spoorde de Schaapskooi-meiden op (inmiddels ruim dubbel zo oud) en stelde de grote vraag: zijn je dromen uitgekomen? Zelf moet ze er ook aan geloven.Marie Claire journaliste Siska Mulder denkt nog vaak terug aan de Schaapskooi, een huisje midden in het bos waar ze met vriendinnen van de middelbare school logeerde. Veertien waren ze toen ze voor het eerst hun slaapzakken uitrolden en fantaseerden over later. Siska spoorde de Schaapskooi-meiden op (inmiddels ruim dubbel zo oud) en stelde de grote vraag: zijn je dromen uitgekomen? Zelf moet ze er ook aan geloven. Vijf meiden bivakkeren in een knus huisje met blauwe luiken. Helemaal alleen in een groot, afgesloten bos op de Veluwe. Geen televisie, geen telefoon, de schapen in het weitje aan de overkant als enig gezelschap. Een ouderwets meisjesboek? Ja, maar dan waar gebeurd. De vijf personages heten Hanke, Marjanne, Annelies, Els en Siska. Ze logeerden voor het eerst in het huisje, de Schaapskooi genaamd, in 1985, ter ere van Hanke's veertiende verjaardag (en daarna nog twee keer). Op onze middelbare school gonsde het. Wat was dat voor geheim genootschap daar in dat donkere bos? Het tweede jaar dat we, na de laatste les, wegfietsten naar onze Schaapskooi zat een klasgenote te snikken op het muurtje voor de school; met de wreedheid van die leeftijd hadden we per stemming besloten dat ze niet mee mocht. Klasgenote Michelle was als enige kandidate wel door de test gekomen en fietste vrolijk naast ons. De Schaapskooi bleek een veilige plek waar we ongegeneerd en onmatig konden lachen, dansen, drinken en roken. Waar de vermeende everzwijnen ons 's avonds de rillingen bezorgden - en de slappe lach. Waar we elkaar vertelden wat we dachten en droomden. Alleen de schapen luisterden mee en keken ons met glazige blik aan; van hen was geen gevaar te duchten. Een vreemd gezelschap daar in dat dichte woud. Marjanne, één van mijn beste vriendinnen, die vreselijk kon feesten, kletsen en schelden (op leraren), maar net zo goed wilde praten over de grote levensvragen. Annelies, die als een speels lammetje overal tussendoor huppelde, van grappen maken hield en het leven licht nam. Els, die stil en dromerig de drukte om zich heen observeerde, maar op het juiste moment een droge opmerking maakte die alles weer in het juiste perspectief plaatste. Hanke, die haar eigen gang ging, soms ineens verdwenen was en altijd weer onbekommerd opdook - zelfstandig, volwassen, zoals wij graag wilden zijn. En Michelle, mijn andere beste vriendin en de meest mysterieuze van het stel, die tot het laatst opbleef, niet gauw haar gevoelens prijsgaf, maar stiekem droomde van een wild 'popsterren-leven'. The Cure, The Smiths en The Cult; new wave muziek knalde uit de boxen. Om twaalf uur 's nachts maakten we pannenkoeken, of spaghetti met een ondefinieerbare saus. We lazen elkaars boeken en schreven eindeloos in 'het gele schrift', ons gezamenlijke dagboek. Marjanne, Michelle en ik toupeerden onze haren tot grote hoogten en kalkten kwistig met het zwarte oogpotlood. (De andere drie hadden geen neiging tot experimenteren.) We droegen elkaars kleren, die we deels weer uit de kast van onze vaders hadden gepikt: grote, geruite bloezen, truien met gaten, gestreepte broeken en natúúrlijk puntschoenen. Hoe extremer hoe beter, dit waren de jaren tachtig! Samen dronken we 'wel zes flessen wijn' in vijf dagen, rookten we shag met nootmuskaat omdat je daar high van zou worden - waarop Michelle na een sigaret of drie zei: «Of was het nou toch kruidnagel?» Wereldverbeteraars waren we, die bezwoeren nooit auto te gaan rijden en uit idealisme vegetarische burgertjes bakten. Tijdens lange nachten staarden we in de vlammen van de houtkachel terwijl we ons afvroegen of god bestond, waar het naartoe moest met de wereld en wat de toekomst voor ons in petto had. Voor mij was de Schaapskooi een plek waar ik helemaal vrij kon zijn. Geen ouders of leraren die me vertelden wat ik moest doen; één keer per jaar kon ik leven zoals ik dat wilde. Praktisch of verstandig bestonden niet, we deden enkel waar we zin in hadden: grenzeloos veel plezier maken, maar ook proberen tot de kern te komen. Daar in dat huisje vond ik een voorzichtige definitie van mezelf en van de persoon die ik wilde worden. Ik droomde van een heftig, grootstedelijk bestaan, waarin ik uit zou stijgen boven het middelmatige. Niet leven zoals iedereen, omdat het zo hoort of omdat het nou eenmaal zo loopt, maar gepassioneerd en bewust. Die dagen in het bos beleefde ik intensief. Het voelde zo verbonden, zo samen dat ik eenmaal weer thuis met een groot gemis in bed lag, geveld door heimwee naar de Schaapskooi. Op school bleken de gouden dagen onherroepelijk voorbij. We waaierden binnen een week uiteen en slaagden er niet in dat speciale gevoel vast te houden. Els en Annelies zaten weer naast elkaar in de klas, Marjanne kwam als vanouds bij mij logeren, Michelle en ik toupeerden eensgezind ons haar in de school-wc en Hanke ging gewoontegetrouw haar eigen gang. Tot de zomer aanbrak en de luiken van de Schaapskooi zich openden om ons welkom te heten. Zeventien jaar later vraag ik me af wat er van de personages uit het meisjesboek geworden is. Wie waren we toen? Zijn we nu wie we vroeger wilden zijn? Ruim twee keer zo oud zijn we inmiddels (30 of 31 jaar), een mooi moment om na te gaan of onze dromen zijn uitgekomen. Marjanne en Annelies zie ik eens per jaar, Annelies is op de bruiloft van Els geweest en Marjanne spreekt Hanke nog af en toe. Ze zijn direct enthousiast over een Schaapskooi reünie. Alleen met Michelle heeft niemand van ons meer contact en op e-mails reageert ze niet. Wil ze niet herinnerd worden aan haar verleden? Zijn haar dromen wellicht niet uitgekomen en durft ze daarom de confrontatie niet aan? Of heeft ze last van wrok? Ooit werden zij en ik verliefd op dezelfde jongen en het object van onze liefde viel voor mij; tegen zo'n crisis bleek de vriendschap niet bestand, al dacht ik destijds dat die voor het leven was. Michelle zwijgt in alle talen en blijft de mysterieuze persoon die ze in onze herinnering was. Met Hanke, Marjanne, Annelies en Els is het als vanouds. Onze taal van vroeger komt vanzelf terug, de taal die we in het gele schrift bezigden (bewaard gebleven dankzij Marjanne) en waarvoor we ons met terugwerkende kracht enorm generen. We zijn ineens weer melig, vinden het respectievelijk een dol of een woest plan, gaan met zelfspot 'uit onze bol' en roepen bij het minste of geringste 'oe!'. Vooraf schrijft Hanke: 'Dag gekke Siska. Wat een vreugdevol geheel wordt het! Tuurlijk werk ik van harte mee, inclusief poederpruik en andere snuisterijen'. Ze ondertekent ironisch met: 'lieve groeten van een ook behoorlijk gekke Hanke'. Wanneer Hanke voor de deur staat, kan ik enkel cliché uitbrengen: «Je bent niets veranderd.» Eerder jonger dan ouder, haar leeftijd genaderd doordat ze vroeger zo volwassen leek. Vrouwelijker maar onmiskenbaar de Hanke die ik ken. En ja, dat geldt ook voor de anderen. Els met springerig haar en frisse rode wangen, een droog lachje dat onderin mijn geheugen lag opgeslagen. Annelies als het eeuwige jonkie met plagerige pretlichtjes in haar ogen, of ze elk moment een streek kan uithalen. Het vertrouwde, vrolijke gezicht van Marjanne, met brilletje; voor mij staat een volwassen, ongetoupeerde versie van mijn vroegere vriendin. «Je had in die tijd kakkers en new wavers. Ik was eigenlijk niks. Maar in ons huisje wel, wánt ik was van de Schaapskooi,» zegt Annelies, terwijl de kazen met stokbrood in ouderwets tempo worden verorberd en de wijn in de fles zienderogen slinkt. Marjanne zegt nadenkend: «De Schaapskooi is mijn puberteit in geconcentreerde vorm. Het was onze eígen plek in die verwarrende wereld. Daar kon ik experimenteren, voelde ik me los en vrij. We leerden elkaar en onszelf beter kennen. Ik vond mijn identiteit, ontdekte mijn plek in de groep. Ik was deel van de groep en tegelijkertijd hoorde ik er voor mijn gevoel niet helemaal bij - iets wat ik toen erg vond en nu niet meer. Daar heb ik sterk het idee ontwikkeld dat ik een voorbijganger ben die iets bijdraagt en dan weer weggaat.» Destijds hielden we elkaar geen spiegel voor, al zochten we in de ander wel een beeld van onszelf. We hadden commentaar op leraren, wereldleiders, opvoeders en andere klasgenoten. Maar niet op elkaar, want in de Schaapskooi was het veilig en gold de vanzelfsprekende code 'jij bent oké'. Zoals Hanke het kernachtig samenvat: «Niemand zei er wat van als je nog een biertje nam.» Omdat we onszelf nog zo slecht kenden, waren we niet in staat de ander op een analytische manier te doorgronden. Intuïtief kwamen we een eind, we hadden er alleen nog niet genoeg woorden voor. Vandaag de dag durven we bijvoorbeeld wel tegen Annelies te zeggen dat zij in onze ogen het jonkie was. Zij knikt: «Ik ben lang naïef gebleven, was niet bezig met mijn uiterlijk of met jongens. Pas toen ik ging studeren ben ik losgeslagen en nam ik de eerste stap om me te ontwikkelen. Jullie liepen daarin voor op mij. Ik ben altijd de jongste geweest, een laatbloeier.» Wat is er van mijn vriendinnen van vroeger geworden? Marjanne ging na de middelbare school Theologie studeren in Amsterdam. Ze leerde Spaans spreken en ging een jaar naar Nicaragua, een droom van vroeger. Een mooi moment om te vertrekken; ze had net haar relatie verbroken en verlangde naar een ander leven: «Ik heb het kennelijk nodig om eens in de zoveel tijd opnieuw te beginnen.» Na haar studie is ze dominee geworden in een kleine gemeente - iets wat wij bij haar vinden passen. Zeventien jaar geleden hield ze zich immers al met de zin van het bestaan bezig. Marjanne: «Ik stel graag de vraag, ja. Het leuke van de Schaapskooi was dat we ook eindeloos konden genieten van onbenullige dingen. In mijn werk heb ik dat nu nog, ik kan geraakt worden door een klein woordje in een tekst. Ik had me toen al voorgenomen om zinvol werk te vinden. Ik was behoorlijk onzeker, maar wist welke kant ik op wilde.» Marjanne is getrouwd met een theoloog. Ook een andere droom van haar is uitgekomen: het krijgen van een kind. «Zie mezelf hier nou, denk ik wel eens. Vroeger was ik tegen auto's en nu rijd ik in een Opel Kadett, dat is toch tragisch? Ik heb tegenwoordig zelfs zo'n 'handig' boodschappenkrat achterin staan. Het is soms net alsof ik mijn moeder zie,» zegt Marjanne vol zelfspot. Weer serieus: «Ook al heb ik een rijbewijs en eet ik tegenwoordig vlees, mijn idealen ben ik niet kwijtgeraakt. Dat wereldverbeterende heb ik nog steeds. Vorige week ben ik lid geworden van een politieke partij; als ik allemaal meningen heb over hoe het gaat in Nederland, moet ik er ook iets mee doen, vind ik.» Hanke omschrijft haar leven als een zoektocht, terwijl ze op ons destijds de indruk maakte dat ze wist wat ze wilde. «Ik was ontzettend onzeker, maar liet dat niet merken,» zegt ze. «Dat ging zo overtuigend dat jullie me geloofden. Precies de bedoeling natuurlijk! In de Schaapskooi hield ik me op een afstandje, ik was een einzelgänger naar alle tevredenheid. Met de mening van anderen wilde ik me niet bezig houden; jullie zeiden altijd 'Hanke trekt aan wat er van de kapstok valt' en daar was ik trots op. Ik zocht altijd de moeilijkste kant, koos exacte vakken terwijl ik daar een drie voor stond. Ik wist er een acht van te maken. Hulp vragen mocht ik niet van mezelf. Ik ben lang zoekende geweest, had het gevoel dat ik alleen door het leven zou gaan.» Hanke studeerde hard, had honger naar kennis. Ze moest presteren van zichzelf, op intellectueel maar ook op sportief gebied: «Ik ging niet zomaar wandelen, nee, ik moest weer zo nodig complete bergen beklimmen.» Na Fysiotherapie voltooide ze een studie Arabisch, ze begon aan een proefschrift en had daarnaast een parttime managementfunctie. Haar leven is zo gelopen als ze in de Schaapskooi voor ogen had - alleen, zelfstandig. Haar toekomstdroom leek uit te komen, ware het niet dat zij die droom eigenhandig een welbewuste zwiep gaf. «Op een dag besloot ik om te stoppen met mijn proefschrift. Toen heb ik een heel sociaal leven opgebouwd. Ik heb een innerlijke strijd geleverd, denk nu: ik ben te hard geweest voor mezelf. Blijkbaar had ik de wetenschap nodig dat ik tot al die dingen in staat was, voor ik het los kon laten. Godzijdank heb ik ontdekt hoe leuk het is om mijn leven te delen met anderen.» Hanke heeft na lang zoeken een baan gevonden die bij haar past, journalist bij de radio, en is een man tegengekomen met wie ze verder wil. «De liefde van mijn leven,» zegt Hanke met een verliefde lach. «Ik zie ons wel buiten wonen - wat niet betekent dat ik buiten het leven stap. Lekker met dieren, kindertjes. Ik zou best samen met vrienden een huis willen delen, een soort Schaapskooi eigenlijk!» «Ja en nee,» antwoordt Annelies op de vraag of haar dromen zijn uitgekomen. Ze heeft Gezondheidswetenschappen gestudeerd, woonde en werkte twee jaar in Engeland. Een jaar geleden keerde ze terug naar Nederland, nu is ze beleidsmedewerker bij GG&GD. «Ik wilde altijd al naar het buitenland. Verder zag ik mezelf getrouwd. Van die toekomstige geliefde had ik een vaag beeld, een man zonder naam of gezicht. Ik vind het heel jammer dat ik nog geen partner en kinderen heb, had best met vijfentwintig al moeder willen worden. Vroeger had ik het idee dat ik een leuke baan zou krijgen, dan trouwen, kinderen krijgen en rond mijn dertigste zou ik aan een tweede studie beginnen. Laatst dacht ik: die leuke baan is er, nu de rest nog.» Onderwijl trof Annelies op haar pad een onverwachte liefde: rugby. In Engeland ontdekte ze haar talent en eenmaal terug in Nederland meldde ze zich aan bij het nationaal rugbyteam. Als ik aan de sportles op de middelbare school denk, zie ik Annelies hangend op het bankje in de kleedkamer voor me. Ze moet hartelijk lachen om dit beeld, had zelf ook nooit gedacht dat ze fanatiek zou gaan sporten. «Ik gooi tegenwoordig wortels in plaats van chocola in mijn winkelmandje. Vrijwillig!» Het blijkt dat ook Els in de Schaapskooi al een toekomst zag met man en kinderen, terwijl we daar indertijd nooit over spraken. Huisje-boompje-beestje, daar waren we tégen, menen Hanke en ik ons te herinneren. Blijkbaar lieten we toch niet alles van onszelf zien. Els ging na de middelbare school Geneeskunde studeren in Amsterdam. «Ik vond het destijds moeilijk om te kiezen. Ik had plezier in school, in kennis vergaren en voor mij was het vanzelfsprekend om daarmee door te gaan. Achteraf gezien had ik wel Theologie willen studeren, maar ik denk dat het beroep van huisarts uiteindelijk wel bij me past.» Na een verbroken relatie besloot Els tot ieders verbazing naar Groningen te verhuizen. «Het voelde als een reis naar het onbekende,» zegt ze tevreden. In het noorden ontmoette ze haar huidige man; acht weken geleden werd hun dochtertje geboren. «Het krijgen van een kind heeft veel meer invloed dan ik dacht,» zegt Els. «De baby is net zo lief als ik verwachtte, maar de verantwoordelijkheid en de onvrijheid vallen me best zwaar. Deze dag in Amsterdam is voor mij al een heftige ervaring. (Lacht.) Ik ben echt diep gezakt!» Els heeft het gevoel dat ze op een keerpunt staat. «Wat voor iemand wil ik worden? Wat voor huisarts? Ik heb me nog niet gevestigd als arts en mijn kind is nog klein. Als ik naar het buitenland wil, moet ik het nu doen.» «En, zijn jouw dromen uitgekomen?» De ogen van Annelies twinkelen: ik kom er niet onderuit. Ik krijg het er warm van - laat mij maar veilig vragen stellen. Natuurlijk heb ik hier over nagedacht. In de Schaapskooi droomde ik van een grootstedelijk bestaan. Dat is er van gekomen. Ik woon in de binnenstad van Amsterdam, heb creatieve zielsverwanten gevonden die hetzelfde nastreven als ik. Uitstijgen boven de middelmatigheid, met passie leven! Nog steeds heb ik het verlangen diepe banden aan te gaan en kan ik van heimwee vervuld in mijn bed liggen als de gasten vertrokken zijn. Inmiddels heb ik geleerd dat sommige vriendschappen voorbij gaan, hoe graag ik mijn verleden ook wil vasthouden. Met schrijven heb ik niemand nodig, dat is iets van mij alleen - die wetenschap heeft me een onafhankelijk gevoel gegeven. Marjanne merkt op dat het een vertrouwd beeld is om mij te zien krabbelen in een schrift. Hanke: «Jij kon heel direct zijn. Dan vroeg je: maar hoe zit dat dan?» Dus nee, het verbaast ze niets dat ik journalist ben geworden. Ben ik nog een wereldverbeteraar? Tja, ook ik eet inmiddels weer vlees en onlangs heb ik een tweedehands autootje aangeschaft. Ik probeer nog altijd dicht bij de kern te blijven, bij wat ik voel en verlang. Gelukkig dienen zich weer nieuwe dromen aan. Zo fantaseer ik er nu over om voor langere tijd naar het buitenland te gaan en daar mooie verhalen te maken. Dromen zijn voor mij de motor, heb ik ontdekt. Die maken het leven mooi, of ze nou uitkomen of niet. Bewust leven - dat verlangen ontstond in de Schaapskooi en is bij ons allemaal nooit meer weggegaan. Els: «Vroeger was ik bang om in te slapen en ik doe er nog steeds alles aan om dat niet te laten gebeuren. Toen lag ons hele leven voor ons, nu is er al een heel stuk voorbij. Als ik niet oppas, schiet het tussen mijn vingers door. Nog beter opletten, is mijn ideaal.» En Marjanne zegt: «Wat is de kern van mijzelf? Daar sta ik bij stil. Van de week las ik in een tekst dat je moet 'zoeken naar waar waarheid oplicht'. Ik wil zorgen dat ik het zie.» Het is alsof we weer in de vlammen van de houtkachel staren, terwijl buiten de schapen grazen. Werktuigelijk smeren we nog een stokbroodje en schenken de wijn. «Goh,» verzucht Els, «hoe zouden we nou over tien jaar zijn?» |
© Copyright Siska Mulder - www.siskamulder.nl |
|