![]() |
leven na het ongeluk Paul Snelders (29) kreeg ruim een jaar geleden een ernstig auto-ongeluk. Hij raakte in coma en de verwachting was dat hij de rest van zijn leven zou vegeteren. Toch bleef zijn vriendin Lianne Ernst (33) geloven dat hij er bovenop zou komen. Inmiddels is hij redelijk hersteld. Het dringt tot Lianne en Paul door dat hij nooit meer de oude zal worden en dat hun leven samen voorgoed is veranderd.Donderdag 16 december 1999. In de gang van hun huis nemen Lianne en Paul afscheid. Zij omhelzen elkaar en Lianne zegt: «Doe je wel voorzichtig?» Paul vertrekt in zijn metallic-blauwe Fort Ka naar zijn werk. Na een ontspannen werkdag rijdt hij rond zes uur 's avonds de parkeerplaats van zijn bedrijf af en hij blijft wachten voor het rode licht. Zijn collega Jan Peter, die normaal gesproken voorop rijdt, laat hem die dag voorgaan. Als het licht groen wordt, trekt Paul op. Op dat moment rijdt een streekbus door rood die zijn auto tien meter meesleurt. Paul slaat met zijn hoofd tegen het portier en raakt bewusteloos. Jan Peter beseft op dat moment niet hoe ernstig het is en scheldt de buschauffeur uit. Als hij naar de Fort Ka loopt, ziet hij dat Paul zwaar ademend met zijn hoofd op het stuur ligt. In een reflex trekt Jan Peter het hoofd van Paul omhoog zodat hij blijft ademen. Daarmee redt hij Pauls leven. Lianne en Paul ontmoetten elkaar acht jaar geleden. Zij was vijfentwintig, hij twintig en zij zaten beiden op de kunstacademie. Paul kwam jongensachtig en springerig over. Hij praatte snel, zijn ideeën buitelden over elkaar heen. Lianne: «Dit is mijn man. Vanaf het eerste moment dat ik Paul zag, wist ik dat.» Binnen drie maanden woonden Paul en Lianne samen. Hij werd artdirector bij een groot ontwerpbureau, zij werkte als ontwerpster en styliste bij een kinderwinkel. Hun werk was meer een levensstijl dan een manier om geld te verdienen. Samen maakten zij veel mee; zo overleed Pauls moeder, met wie hij een sterke band had. Het jaar 1999 bracht tegenspoed. Lianne: «In november zeiden wij tegen elkaar: 'Nog maar een maandje en dan maken we een nieuwe start. We gaan een fijn, gezond jaar tegemoet'.» Op donderdag 16 december 1999 voelt Lianne zich naar, al kan ze niet verklaren waarom. Na het werk gaat zij, zoals elke donderdag, wat drinken met haar collega's. Om halfzeven zal Paul haar afhalen om samen te winkelen, al voor die tijd belt ze naar zijn mobiele telefoon. Ze krijgt zijn voicemail en hangt ongerust op. Zij voelt dat er iets vreselijk mis is. Even later gaat haar mobiele telefoon; een vriend vertelt dat Paul een ernstig auto-ongeluk heeft gehad. «Hij is in goede handen», aan dat zinnetje houdt zij zich vast en ze blijft het voor zichzelf herhalen. Haar bazin rijdt haar in vliegende vaart naar het ziekenhuis. Lianne zit hevig trillend naast haar: «Ik keek omhoog naar Pauls moeder en zei in gedachten tegen haar: 'Je stuurt hem terug, je laat hem gaan'. Zij was zijn beschermengel en ik voelde haar aanwezigheid. Paul was op dat moment ver weg. Zou hij zo'n intens verlangen naar zijn moeder hebben dat hij haar nog eens wilde zien?» De artsen vertellen dat Paul zwaar hersenletsel heeft, in coma ligt en dat hij minimaal de eerste vijf dagen door moet komen voor hij buiten levensgevaar is. Als hij bijkomt, zal hij de rest van zijn leven vegeteren, zo vermoeden zij. Lianne: «Ik mocht even bij hem. Paul lag in een grote hal waar je met de ambulance in kon rijden. Het was er vrij donker, in het midden hing een spot die op hem gericht stond. Hij had een rare zwarte kap op zijn hoofd, een soort boksmasker. Ik zag niks aan hem, hij had alleen een paar schrammetjes op zijn arm. Het was nog steeds mijn Paul van die ochtend. Ik keek naar hem en zei: 'Hé Paul, hallo'. En ik bleef maar herhalen: 'Ik houd van je, houd vol, je bent in goede handen'.» Lianne is in een shock en voelt zich vreemd kalm. Zij belt zelfs nog haar twee beste vrienden om te vragen of ze de katten willen meenemen naar hun huis. Paul wordt op de intensive care van het ziekenhuis in Alkmaar meteen geopereerd. Die nacht wacht Lianne met zijn familie en een paar goede vrienden in een apart kamertje. Op het laatst hangt er een vreemde stilte in de kleine ruimte, er is niets meer te zeggen. Hij haalt het gewoon, hij móet het halen, is het enige wat Lianne denkt. Een gesprek met de artsen brengt geen hoop. Lianne: «Ik wilde zo graag dat ze beloftes deden. Heeft hij tien, vijftig, zestig procent kans om het te halen? De artsen bereidden ons voor op het allerergste. 'De situatie is kritiek', meer kregen we niet te horen.» In de ochtend treden er complicaties op. Lianne: «Achter Paul stond een wand vol meters, pompen en infusen, aan alle kanten staken drains en slangen uit hem. Het naarste was de buis van de beademing die door zijn keel zat. Ik durfde niet alleen met hem zijn, ik kón het niet. Die meters maakten me onzeker. Ik was gefixeerd op de drukmeter; de druk van zijn hersenen mocht niet boven de twintig komen. Elke keer als de meter steeg, raakte ik in paniek. Alles was volledig onvoorspelbaar geworden. In het familiehuis, waar ik overnachtte met zijn vader en broer, sliep ik met mijn mobiele telefoon op het nachtkastje. Ik dacht steeds: 'Alsjeblieft, laat hij niet afgaan'. Als ik de volgende ochtend niet was gebeld, wist ik dat we weer een nacht gewonnen hadden.» Lianne snelt heen en weer van het familiehuis naar het ziekenhuis, waar vrienden en familie trouw met haar waken over Paul. Hij is algemeen bezit geworden: van het artsenteam, de verpleging, de vrienden om hen heen. Elke dag komt er een nieuw medisch probleem bij. Lianne: «De artsen waren hard, confronterend. Een neurochirurg zei na drie dagen tegen mij: 'Wat doet jouw vriend? Was hij intelligent? Hoe intelligenter hij is, hoe moeilijker het is om dat niveau weer te halen'. Terwijl ik alle vertrouwen nodig had, mijn waarheid was dat het goed zou komen.» Lianne leeft in een roes. «Ik kon die eerste dagen niet huilen, deed alles op de automatische piloot. Ik was alleen maar bezig met overleven. Veel mensen verbaasden zich erover dat ik zo rustig bleef. Toen Pauls moeder overleed heb ik gezien hoe hij met de dood van zijn moeder omging, van hem heb ik geleerd om het te nemen zoals het is. Waarom is ons dit overkomen? Waarom is die stomme buschauffeur door rood gereden? Het heeft geen zin om daar kwaad over te blijven, dit hoort bij ons leven.» Zij praat met een arts van de intensive care. Lianne: «Paul was buiten levensgevaar en er was weinig neurologische schade. Ik had de bevestiging dat hij het zou halen.» Na tien dagen ontwaakt Paul uit zijn coma, op tweede kerstdag. Lianne: «Ik had het me zo romantisch voorgesteld, ik dacht dat hij zou vragen waar hij was, waarom hij in het ziekenhuis lag. Maar hij staarde star voor zich uit, was niet aanspreekbaar en het grootste deel van de tijd niet bij kennis. De eerste keer dat hij wat zei, fluisterde hij: 'Ik ben bang, ik heb moeite met ademhalen'. Ik dacht: hij voelt, hij denkt, hij heeft een bewustzijn.» Na twee weken intensive care wordt Paul overgeplaatst naar een neurochirurgische afdeling, waar patiënten met zigzag hechtingen op hun kaalgeschoren hoofd over de gang zwalken. Lianne werkt halve dagen en zit elke dag vijf uur lang aan zijn bed. Paul slaapt veel en als hij wakker is, zegt hij niets of spreekt hij wartaal. Het ongeluk kan hij zich niet herinneren en hij is zich niet bewust van zijn situatie. Zijn linkerarm is spastisch en van de medicijnen die hij daartegen krijgt, gaat hij hallucineren. Hij kan niet lopen, zich niet aankleden, niet zelfstandig eten, niet zelf naar het toilet en zelfs bij het omdraaien in bed moet hij geholpen worden. Praten kan hij ook niet, alleen fluisteren. Lianne: «Als ik naar het ziekenhuis ging, dacht ik eraan hoe Paul me op een dag zou opwachten in de gang. Weer een veel te romantische gedachte. Ik kon niet tot hem doordringen, hij was van de wereld. Ik hoopte dat hij het fijn vond dat ik er was. Er is niets zo moeilijk als tegenover iemand zitten die er wel is en tegelijkertijd niet.» Lianne logeert bij haar beste vrienden om niet alleen thuis te hoeven zijn. Lianne: «Juist als je zoiets ergs meemaakt, wil je dat delen met degene van wie je houdt. Maar mijn maatje was er niet op dat moment. Ik was meer Pauls verzorger dan zijn vriendin. Normaal gesproken ben ik niet aanrakerig met vrienden, nu vond ik het heerlijk als ze me omarmden. Je bent echt niet alleen, we lossen het samen op; dat gevoel gaven ze mij. Ik had zó veel steun nodig.» Als Lianne voor het eerst alleen in het huis is, kijkt een gezonde Paul haar aan vanaf de foto's in de gang. «Voor het ongeluk had ik een volledige baan, een relatie, poezen om voor te zorgen en een volle agenda. Acht jaar was ik samen met Paul geweest en nu was ik weer alleen. Alles ging ik opnieuw aftasten: wie ben ik, met wie en hoe dan? Ik dacht wel eens: als ik het nu uitmaak, is het er niet meer. Nooit meer naar het ziekenhuis, geen probleem meer. Ik hield me vast aan het idee dat ik weg kon gaan, dat ik een keuze had. Terwijl de situatie mij alle vrijheid had afgenomen. Uit overlevingsdrang probeerde ik te ontsnappen. Ik fantaseerde over andere jongens; als ik met een ander zou zijn, zou ik dit niet hoeven meemaken.» Pauls herstel verloopt aanmerkelijk sneller dan verwacht, na een maand gaat hij al naar een interne afdeling van een revalidatiecentrum. Hij zit nog altijd in een rolstoel en kan niets zelfstandig. Paul: «Ik wilde het liefst thuis slapen, ik vond het erg dat ik daar 's nachts moest blijven. Lianne wist beter wat goed voor mij was, dat had ik wel door. Ik had niet het gevoel dat ik zelf beslissingen kon nemen.» Paul ontkent niet wat er is gebeurd, zoals veel patiënten met een hersenkneuzing doen, maar wel hoe ernstig het is. Paul: «Ik had het idee dat het drie, hoogstens vier weken zou duren voor ik weer beter was. Lianne zei tegen mij dat het meer tijd zou kosten, maar ik dacht: hallo, ik ben hier degene die ziek is.» Zijn wereld is klein; de dagen bestaan uit revalideren en wachten tot het bezoekuur begint. Al zijn energie gaat uit naar zijn herstel, het verdriet voelt hij niet. Na zes weken op de interne afdeling van het revalidatiecentrum mag Paul naar huis. Hij revalideert dagelijks een paar uur en gaat één dag per week naar zijn werk. Hij loopt moeilijk, ziet contouren niet scherp, hij heeft concentratieproblemen en praten gaat moeizaam. Hij kan weinig met zijn linkerarm, aan die kant heeft hij een tremor, wat inhoudt dat zijn arm vaak oncontroleerbaar trilt. Paul: «Ik voel me onzeker over primaire dingen die voor een normaal mens vanzelfsprekend zijn. Voorheen dacht ik er niet over na hoe ik moest lopen, of iets moest vastpakken. Nu ben ik niet zeker van mijn zaak, niet zeker van mijn lichaam.» Zijn grootste angst is dat hij, vanwege de manier waarop hij loopt en praat, niet serieus wordt genomen. Op straat kijken onbekenden hem na en in winkels willen verkoopster hem niet helpen. In gezelschap heeft hij moeite om het gesprek te volgen. Hij heeft het gevoel dat hij niet duidelijk kan maken wat hij denkt. Het is alsof zijn vrienden en familie constant een vergrootglas boven zijn hoofd houden: wat kan hij wel en wat kan hij niet? Hij voelt zich onveilig, denkt dat mensen misbruik maken van zijn ziekte, dat zij het al te gemakkelijk afschuiven op zijn hersenkneuzing als hij wat vergeet of een afwijkende mening heeft. Paul: «In het begin keek ik steeds naar Lianne als we in gezelschap waren en praatte ik alleen tegen haar. Zij is één van de weinigen bij wie ik me op mijn gemak voel. Zij weet hoe ik ben, terwijl een ander misschien denkt: die vent is niet normaal.» Hij is het liefst samen met Lianne thuis. Wijntje erbij, katten op de leuning van de stoel: het lijkt dan net of het ongeluk nooit is gebeurd. Doordat hij in coma lag en later nauwelijks bij bewustzijn was, heeft Paul een deel gemist. Voor die periode is Lianne zijn 'externe geheugen'. In de eerste weken na het ongeluk maakte zij veel foto's en hield zij samen met vrienden een schriftje bij. Paul: «Ik wist dat het in dat boekje over mij ging, maar het leek of ik het verhaal van een ander las. Wat erg voor die jongen, dacht ik. Ik moest erom huilen, terwijl ik dat daarvoor nooit heb gekund.» Paul realiseert zich hoe naar deze periode voor Lianne is geweest: «Ik had het begrepen als ze niet bij me was gebleven.» Lianne kijkt anders tegen het ongeluk aan dan Paul, doordat zij alles van het begin af aan bewust heeft meegemaakt. In zijn ogen zijn zij sinds hij weer thuis woont gelijkwaardig, terwijl Lianne denkt dat zij de sterkste van de twee moet zijn. Soms krijgt zij een eenzaam gevoel, omdat zij op een ander punt staat dan hij. Paul voelt zich hetzelfde als voor het ongeluk, hij heeft niet het idee dat hij wezenlijk is veranderd. Die manier van denken past in het ziektebeeld: mensen met een hersenkneuzing merken de veranderingen in hun persoonlijkheid zelf niet op. Lianne ziet dit wel: «Toen hij in coma lag, was het nog steeds mijn Paul. Als ik naar hem keek, dacht ik aan de Paul van voor het ongeluk. Nu ging ik op zoek naar bewijzen dat hij dezelfde was. Hij had dezelfde humor, dezelfde smaak en hij maakte dezelfde gebaren. Ik ontdekte allemaal kleine stukjes Paul en dacht dat al die stukjes samen dezelfde Paul zouden zijn. Ik dacht: als hij eenmaal praat en loopt, is hij er weer. Pas toen hij wat beter liep en sprak, kon ik zien dat hij anders communiceerde. Hij beweegt en denkt minder verfijnd. Zijn enorme energie mis ik het meest. Ik besef nu dat het totaalbeeld anders is.» De artsen vertelden Lianne dat zij niet moet kijken naar wie Paul was en naar wat hij kon vóór het ongeluk - dan zal het tegenvallen - maar naar het moment waarop hij niets kon. Lianne: «Ik voel mij wel eens alleen doordat ik niet op hetzelfde niveau met hem kan communiceren als voorheen. Soms lukt het ineens wel, daardoor ga ik te veel van hem verwachten en raak ik vervolgens teleurgesteld. Ik probeer te denken: oké hij is iemand anders, maar hij gaat steeds meer lijken op het beeld van de oude Paul. Deze Paul komt dicht in de buurt. Ik weet niet waar het eindigt, met die onzekerheid leef ik. Ik moet mijn best doen om hoop te blijven houden. Hoe de toekomst eruit gaat zien weet ik niet. Er is een kans dat hij niet volledig herstelt. Maar als Paul niet de oude wordt, accepteert hij dat. Hij maakt iets van zijn leven, hoe hij er ook voorstaat. Hij heeft zo'n wilskracht dat ik ergens denk dat het hem nog gaat lukken ook om helemaal te herstellen.» De maatschappelijk werker spreekt van ontkenning bij Paul. Dat woord maakt hem boos, hij vindt het te negatief. Hij wil juist positief blijven en is vooralsnog blij met elke vooruitgang die hij boekt. Zo kan hij van de ene op de andere dag op zijn hurken zitten en van een stoepje afstappen zonder zich ergens aan vast te pakken. Paul: «Dit is niet het eindstation. Over een half jaar lach ik me rot; een stoepje af zonder handen, knap hoor! Ik ben een medisch wonder, ik kan nu al veel meer dan de doktoren ooit dachten. Zij vinden dat het goed gaat en meer kunnen zij er niet van zeggen, hersenen zijn zo gecompliceerd. De WAO? Dat gebeurt niet, ik ga er vanuit dat ik mijn werk blijf doen. Ik ben ervan overtuigd dat ik helemaal herstel, alleen de tremor blijft misschien. Ik maak me er wel zorgen over dat het lang gaat duren; stel je voor dat het nog drie jaar in beslag neemt?» Paul en Lianne zijn op dit moment meer maatjes dan minnaars, de passie staat in de ijskast. Lianne moet van Pauls verzorger veranderen in zijn geliefde en dat kost tijd. Lianne: «Ik ben een banger mens geworden. Mijn vertrouwen is zo ongelooflijk beschaamd. Als Paul ergens alleen naartoe is gegaan, bel ik of hij veilig is aangekomen. Ik houd hem voortdurend in de gaten. Net als een kind dat volwassen wordt, moet ik hem loslaten.» Voor haar is het nooit een optie geweest om hem te verlaten: «Het ongeluk is ons samen overkomen. We zijn er met z'n tweeën aan begonnen en maken het met z'n tweeën af. Hij blijft mijn man.» Paul heeft eveneens het vertrouwen dat hun relatie sterk genoeg is: «Ooit voelde ik dat het voor altijd was en dat voel ik nog steeds zo.» Hoe ziet hun leven er over een jaar uit? En over vijf jaar? Lianne: «Wij kunnen dat niet overzien. Toen het ongeluk net was gebeurd durfde ik maar een dag vooruit te kijken en nu hebben we een vakantie geboekt voor over een maand - dat is al ver. Het heeft geen zin om te bedenken waar ik over vijf jaar wil zijn. Wij nemen ons iedere ochtend voor om er een fijne dag van maken. Als dat lukt, zijn we blij. En dan hopen we dat het ons de dag erop weer lukt.» |
|
© Copyright Siska Mulder - www.siskamulder.nl |
||